Straalpijptechniek

1. Hanteren van een hogedruk
1.1 Reserve slang voorzien
1.2 Optrekken van een HD
2.   Hanteren lage druk
2.1 Vorderen met een LD 45mm
2.2 Terugtrekken met een LD 45
2.2.1 Slangdrager maakt een lus

Hanteren van een slang

In de reguliere brandweeropleiding wordt relatief weinig aandacht besteed aan het hanteren van een slang. Dit is voor een deel historische gegroeid.

Op het moment dat de vorige cursus brandweerman werd samengesteld, in het begin van de jaren ’90, werd de binnenaanval quasi exclusief uitgevoerd met de hoge druk (HD).

Lage druk opstellingen werden meestal gebruikt voor defensieve buitenopstellingen. Deze laatste zijn veelal erg statisch. Eens de slangen er liggen, hoeven ze niet verplaatst te worden.

Bij een binnenaanval werd, vertrekkende vanuit een veiligheidsstandpunt, erg veel aandacht besteed aan het feit dat de persluchtdragers dicht tegen elkaar moeten blijven. De hulplansdrager hield zelf liefst zijn hand op de fles van de lansdrager.

De overgang naar het gebruik van lage druk voor de binnenaanval heeft getoond dat deze werkwijze serieuze beperkingen heeft.

1 HANTEREN VAN EEN HOGE DRUK

In veel korpsen is de hoge druk leiding nog steeds het voornaamste middel om een binnenaanval in te zetten.

Het is dan ook zo dat de HD een geschikt middel is voor heel wat branden. Het grootste voordeel van de hogedruk is de souplesse waarmee die kan worden ingezet.

De hulplansdrager kan gemakkelijk een aantal meter slang met zich mee dragen. Hiertoe maakt hij gewoon enkele lussen die hij met zich mee trekt.

Op die manier kan de lansdrager altijd een aantal meter vorderen.

De hulplansdrager kan positie kiezen achter de lansdrager met de HD-slang aan hun rechter- of linkerkant. Het is echter ook mogelijk dat hij positie kiest aan de andere kant van de slang.

De slang zit dan tussen de twee brandweerlui in. Op die manier kan hij zowel gemakkelijk naar voor als naar achter kijken. Dit is veel moeilijker indien hij achter de lansdrager zit.

Top

1.1 Reserve slang voorzien

In de basis opleiding voor de rekruten, wordt erg veel aandacht besteed aan het werken met de hoge druk haspel. Dit is immers ons voornaamste aanvalswapen.

Eén van de zaken waar erg veel aandacht aan wordt besteed, is het voorzien van een reserve aan slang.

Het is immers onwerkbaar als de slang wordt afgerold tot aan het aanvalspunt zonder dat er extra slang wordt bijgetrokken op strategische plaatsen.

Een mooi voorbeeld hiervan is een brand op de derde verdieping. Als een hoge druk slang wordt afgerold tot in de inkomdeur, dan kan de aanvalsploeg beginnen met zijn vordering.

Zodra ze echter een aantal meter gevorderd zijn, zullen ze vast komen te zitten. Op dat moment trekken ze immers aan de slang terwijl die slang overal wrijvingspunten heeft (de deurstijl, de trap, de stijl van de inkomdeur, een hoek van 90°, …).

Eigenlijk moet de aanvalsploeg al die wrijving overwinnen en vervolgens nog hard genoeg trekken om de haspel verder af te trekken. Het spreekt voor zich dat dit niet lukt.

Om dat te vermijden, wordt een hoge druk afgelegd met vier mensen. Als de lansdrager op het aanvalspunt gekomen is, zal er daar een meter of vijf extra slang in lussen gelegd worden.

Hetzelfde gebeurt aan de ingang van het gebouw. Als laatste worden ook enkele lussen klaargelegd aan de autopomp zelf. Op die manier ligt er over het traject dat de hoge druk volgt ongeveer 15 meter slang klaar.

Dat lat de aanvalsploeg toe om op een vlotte manier toch te vorderen.

Top

1.2 Optrekken van een HD

Een tweede methode om een hoge druk af te leggen die frequent gebruikt wordt, is het optrekken van een hoge druk slang via de buitengevel van het gebouw.

Dergelijke methode is handig voor interventies tot op de vijfde verdieping.

Meestal worden de touwen ingezet om een hoge druk op te trekken. De aanvalsploeg gooit dan een touw naar beneden uit het raam.

Op dezelfde manier is het mogelijk om in een open traphal een hoge druk op te trekken.

Het is belangrijk om te beseffen dat dit niet kan vanuit de ruimte waar de brand woedt. Eigenlijk mag de ruimte waarvan het raam geopend wordt (nog) niet in contact staan met de ruimte waar het brandt.

Anders zal het immers zo zijn dat extra lucht ter beschikking komt van de brand. In het verleden is het voorgevallen dat brandweerlui de snelheid waarmee een brand groeit, onderschatten.

Zij werden vervolgens geconfronteerd met een rollover op het moment dat ze de straalpijp ter beschikking hadden.

Het naar beneden komen van een koord is voor de mensen beneden en teken dat een ploeg boven een hoge druk wil optrekken.

Vervolgens wordt de straalpijp met een mastworp en een halve steek bevestigd aan het touw (zie Figuur 3) waarna de hoge druk wordt opgetrokken (zie Figuur 2).

Het is belangrijk dat de chauffeur pompbedienaar de watertoevoer tot de hoge druk leiding pas opent nadat de bevelvoerder hierom vraagt.

Op die manier weegt de hoge druk minder en verloopt het optrekken vlotter.

Als de hoge druk boven is aangekomen, wordt het touw losgemaakt van de straalpijp. Vervolgens wordt er nog een tiental meter reserve getrokken.

Dit kan meer zijn indien vanaf het raam nog een zekere afstand dient te worden afgelegd. Het is de onderofficier boven die hierover dient te beslissen.

Eens dit gebeurd is, wordt de hoge druk vastgemaakt. Deze werkwijze laat toe om erg snel een hoge druk lijn af te leggen tot op de vijfde verdieping en daar voldoende reserve te voorzien.

Top

2 HANTEREN VAN EEN LAGE DRUK

Door het introduceren van de bundels en cassettes bij de Belgische brandweer wordt gelukkig meer en meer overgeschakeld naar een lage druk Ø 45 mm (LD 45).

Deze manier van werken laat toe om met een hoger debiet de binnenaanval aan te vangen. De ondergeventileerde brand waarmee de brandweer meer en meer geconfronteerd wordt, kan immers snel toenemen in vermogen.

Het is dan veiliger om een groter debiet bij te hebben.

Indien men echter werkt met een LD 45 slang zoals gewerkt wordt met een hoge druk leiding zullen niet de optimale resultaten behaald worden.

Een lage druk slang is veel minder soepel dan een hoge druk. Dit laat niet toe om snel enkele lussen te maken. De oude werkwijze waarbij de twee ploegleden dicht bij elkaar zitten werkt dan contraproductief.

Top

2.1 Vorderen met een LD45

Normaal gezien dient de aanvalsploeg te vorderen tot het aanvalspunt met een bundel klaar voor gebruik. Op het aanvalspunt kan vervolgens een enkele of een dubbele bundel ontplooid worden.

Dit leidt respectievelijk tot 20 of 40 meter reserve. Dit is ter vervanging van de verschillende “reserves” die voorzien worden bij het afleggen van een hoge druk.

Op het moment dat de vordering begint, dient er echter anders gewerkt te worden dan vroeger. In het Engels wordt de lansdrager “the nozzle man” genoemd. De hulplansdrager wordt echter “the hose man” genoemd, de slangdrager.

Deze vlag dekt beter de lading dan de benaming “hulplansdrager”. De slangdrager dient ervoor te zorgen dat de lansdrager voldoende bewegingsvrijheid heeft.

Dit kan onmogelijk als hij zich direct achter de lansdrager bevindt. De slangdrager laat best twee à drie meter tussen hem en de lansdrager. Af en toe zal hij zelf terug moeten keren naar een wrijvingspunt om daar slang bij te trekken. (zie Figuur 4)

De lansdrager zal recht naar voor kijken. Hij dient immers de situatie voor zich te analyseren. Hij kan zijn straalpijp inzetten om de omgeving te beveiligen (short pulse en vooral long pulse).

Hij kan zijn water ook gebruiken om te blussen (pencilling/painting/ massieve aanval). De slangdrager plaatst zich echter best dwars op de slang.

Dit laat hem toe om de situatie achter hem te observeren. Hij dient te letten op het gedrag van de rook achter hen. Dit gaat onder meer over kasten, e.d. die kunnen beginnen branden achter de aanvalsploeg.

Dit kan een belangrijk risico zijn voor de tussenkomende brandweerlui. Het is de rol van de slangendrager om dit te bewaken. Naast deze functie kan hij ook in de gaten houden dat de slang nergens vast komt te zitten.

Indien dit het geval is, zal hij dit laten weten aan de lansdrager. Deze kan vervolgens de rookgassen koelen terwijl de slangdrager naar het wrijvingspunt gaat en daar slang bijtrekt.

Ten slotte is het ook zo dat de slangdrager vanuit de dwarse positie nog steeds goed kan communiceren met de lansdrager. Ook dit is een belangrijk punt als de slangdrager positie kiest.

De slangdrager kan bij het vorderen ook een lus maken. Deze lus zal cirkelvormig zijn. Dergelijke lussen kunnen op de vloer gelegd worden maar het is echter ook mogelijk om de lussen rechtop te zetten tegen de muur.

Dit is bijzonder handig in ruimtes waar weinig manoeuvreerruimte is. Als laatste is het ook mogelijk om deze lussen te verrollen. Op deze manier is het mogelijk om een aantal meter reserve slang te verplaatsen.

In elk geval betekent dit dat de slangdrager een veel actievere rol dient te vervullen dan vroeger. Hij dient continu te observeren met bijzondere aandacht voor hetgeen zich achter de aanvalsploeg afspeelt.

Daarnaast dient hij ook belangrijk werk te verrichten wat betreft het verplaatsen van de slang. Hoe dieper de aanvalsploeg binnendringt in de brandende ruimte, hoe zwaarder dit werk zal worden.

Opnieuw is het nodig om hier aan te stippen dat het toevoegen van een “door man” aan de aanvalsploeg een grotere meerwaarde kan zijn.

Naast het controleren van de deur, zal deze ook een deel van het werk voor het verplaatsen van slangen op zich nemen.

Top

2.2 Terugtrekken met een LD45

In de brandweeropleiding is er tot nu toe nog geen aandacht geweest voor het terugtrekken met een aanvalslijn. Nochtans is dit een vaardigheid die het leven van onze brandweerlui kan redden.

In de toekomst neemt het risico op problemen tijdens de vordering toe. Bij ondergeventileerde branden zal het brandvermogen beginnen te stijgen zodra de brandweer de deur opent om te gaan blussen.

De kans dat de aanvalsploeg moet terugtrekken in een omgeving met een lage zichtbaarheid terwijl de temperatuur snel stijgt en de vlammen langs het plafond beginnen te lopen, neemt toe.

Op dat moment is het belangrijk dat de lansdrager overschakelt naar long pulses. Het is dan niet meer belangrijk om te vermijden dat de verschillende rooklagen gemengd worden.

Het is eveneens niet meer belangrijk om een evenwicht te bewaren tussen stoomproductie en contractie van de rookgassen.

Er is een levensgevaarlijke situatie aan het ontstaan voor de aanvalsploeg. Daar dient de lansdrager iets aan te doen.

Indien long pulses niet het gewenste resultaat geven, kan hij continu met een vol debiet (400-500 liter per minuut) sproeien in de bovenste kant van de rooklaag.

Tegelijker tijd dient de aanvalsploeg ervoor te zorgen dat zij zich (snel) terugtrekt uit het compartiment waar de zaak uit de hand aan het lopen is.

Indien long pulses volstaan, kan er gewerkt worden met een methode waarbij afwisselend een aantal long pulses gegeven worden en afwisselend terug getrokken wordt door de lansdrager.

De slangdrager kan intussen continue de slang achteruit brengen. Het wordt lastiger als de situatie van die aard is dat er continu water verspoten dient te worden.

Het is immers niet evident om terug te trekken met een straalpijp die 400 liter per minuut aan het debiteren is. Dit debiet brengt namelijk behoorlijke reactiekrachten met zich mee.

De mogelijkheden om hier mee om te gaan, zijn erg verschillend van persoon tot persoon. Een atletisch gebouwde lansdrager van 1m90 zal gemakkelijker deze straalpijp hanteren dan een fijn gebouwde lansdrager van 1m65.

Daarom is het belangrijk dat ook op het terugtrekken geoefend wordt zodat iedereen weet wat werkt voor hem en wat niet.

Top

2.2.1 Slangdrager maakt een lus

Voor de meeste brandweerlui zal het makkelijkst zijn dat de slangdrager een lus maakt op drie tot vier meter van de lansdrager.

Hij kan dit doen door de slang achter zijn rug te laten passeren (zie Figuur 6).

Voor hem begeleidt hij met één hand de slang die tot bij de lansdrager gaat.

Wist je dat ...

  • Als er lucht wordt toegevoegd aan een ondergeventileerde brand zal het brandvermogen stijgen.
  • Als er geen water op de brandhaard terechtkomt, zal een geïnduceerde flashover optreden.
  • De straalpijpdrager koelt de rookgassen in de rooklaag tijdens een brand in de ontwikkelingsfase.

Contacteer ons

  • Algemeen nummer: 015/ 280 280
  • Dringende interventie: 112
  • Fax: 015/ 21 97 90
  • brandweer Mechelen